zien = to see
Present
ik zie
jij ziet
wij zien
Past
ik zag
jij zag
wij zagen
Present Perfect
ik heb gezien
wij hebben gezien
I moved to Netherlands recently, and am currently studying Dutch. So I will be sharing what I learn here. I'm not a teacher but a student, so if you find any mistake/ misunderstanding in my post, please let me know! Hope you enjoy:)
Tuesday, September 16, 2014
kunnen: to be able to
kunnen = to be able to
Present
ik kan
jij kunt
hij kan
wij kunnen
Past
ik kon
wij konden
Present Perfect
ik heb gekund
wij hebben gekund
Present
ik kan
jij kunt
hij kan
wij kunnen
Past
ik kon
wij konden
Present Perfect
ik heb gekund
wij hebben gekund
Monday, September 15, 2014
vertrekken: to depart
vertrekken = to depart
Present
ik vertrek
jij vertrekt
wij vertrekken
Past
ik vertrok
wij vertrokken
Present Perfect
ik heb vertrokken
wij hebben vertrokken
Present
ik vertrek
jij vertrekt
wij vertrekken
Past
ik vertrok
wij vertrokken
Present Perfect
ik heb vertrokken
wij hebben vertrokken
Wednesday, September 10, 2014
rennen (run)
rennen = run
Present
ik ren
jij rent
wij rennen
Past
ik rende
jij rende
wij renden
Present Perfect
ik heb gerend
wij hebben gerend
Present
ik ren
jij rent
wij rennen
Past
ik rende
jij rende
wij renden
Present Perfect
ik heb gerend
wij hebben gerend
Saturday, September 6, 2014
herinneren (to remember)
herinneren (to remember)
Present
ik herinner
jij herinnert
wij herinneren
Past
ik herinnerde
wij herinnerden
Present Perfect
ik heb herinnerd
wij hebben herinnerd
Present
ik herinner
jij herinnert
wij herinneren
Past
ik herinnerde
wij herinnerden
Present Perfect
ik heb herinnerd
wij hebben herinnerd
Friday, September 5, 2014
vragen (to ask)
vragen = to ask
Present
ik vraag
jij vraagt
wij vragen
Past
ik vroeg/ ik vraagde
wij vroegen/ wij vraagden
Present Perfect
ik heb gevraagd
wij hebben gevraagd
Present
ik vraag
jij vraagt
wij vragen
Past
ik vroeg/ ik vraagde
wij vroegen/ wij vraagden
Present Perfect
ik heb gevraagd
wij hebben gevraagd
gezellig - gelukkig: nice - happy
gezellig (nice, friendly)
Kopje koffie? Ja, gezellig.
Het is een gezellig cafe.
Gelukkig (happy)
Hij wint de lotto nu voor de tweede keer. Hij is gelukkig.
Kopje koffie? Ja, gezellig.
Het is een gezellig cafe.
Gelukkig (happy)
Hij wint de lotto nu voor de tweede keer. Hij is gelukkig.
Thursday, September 4, 2014
knap - leuk - aardig: handsome - nice - friendly
knap (handsome, good-looking, clever)
Wat een knap meisje. Zij was Miss Holland.
Einstein was heel intelligent, hij was een knappe kop.
leuk (nice, entertaining, amusing, jolly, fun, prettily)
Wat een leuke jongen. Hij is charmant.
We gaan naar de muzikaal, O, wat leuk.
aardig (nice, pretty, good-natured, friendly. likable, pleasant)
Wat een aardig jongen. Hij is heel vriendelijk.
Het is een aardig film, maar het is niet echt goed en niet echt slecht.
Wat een knap meisje. Zij was Miss Holland.
Einstein was heel intelligent, hij was een knappe kop.
leuk (nice, entertaining, amusing, jolly, fun, prettily)
Wat een leuke jongen. Hij is charmant.
We gaan naar de muzikaal, O, wat leuk.
aardig (nice, pretty, good-natured, friendly. likable, pleasant)
Wat een aardig jongen. Hij is heel vriendelijk.
Het is een aardig film, maar het is niet echt goed en niet echt slecht.
Wednesday, September 3, 2014
Today's verb: Worden (to become)
worden = to become
Present
ik word
jij wordt
wij worden
Past
ik werd
jij werd
wij werden
Present Perfect
ik ben geworden
jij bent geworden
hij is geworden
wij zijn geworden
Present
ik word
jij wordt
wij worden
Past
ik werd
jij werd
wij werden
Present Perfect
ik ben geworden
jij bent geworden
hij is geworden
wij zijn geworden
Subscribe to:
Posts (Atom)