Tuesday, September 16, 2014

zien: to see

zien = to see

Present

ik zie
jij ziet
wij zien

Past

ik zag
jij zag
wij zagen

Present Perfect

ik heb gezien
wij hebben gezien

kunnen: to be able to

kunnen = to be able to 

Present

ik kan
jij kunt
hij kan
wij kunnen

Past

ik kon
wij konden

Present Perfect

ik heb gekund
wij hebben gekund

Monday, September 15, 2014

vertrekken: to depart

vertrekken = to depart

Present

ik vertrek
jij vertrekt
wij vertrekken

Past

ik vertrok
wij vertrokken

Present Perfect

ik heb vertrokken
wij hebben vertrokken

Wednesday, September 10, 2014

rennen (run)

rennen = run

Present

ik ren
jij rent
wij rennen

Past

ik rende
jij rende
wij renden

Present Perfect

ik heb gerend
wij hebben gerend

Saturday, September 6, 2014

herinneren (to remember)

herinneren (to remember)

Present

ik herinner
jij herinnert
wij herinneren

Past

ik herinnerde
wij herinnerden

Present Perfect

ik heb herinnerd
wij hebben herinnerd

Friday, September 5, 2014

vragen (to ask)

vragen = to ask

Present

ik vraag
jij vraagt
wij vragen

Past

ik vroeg/ ik vraagde
wij vroegen/ wij vraagden

Present Perfect

ik heb gevraagd
wij hebben gevraagd

gezellig - gelukkig: nice - happy

gezellig (nice, friendly)

Kopje koffie? Ja, gezellig.
Het is een gezellig cafe.

Gelukkig (happy)

Hij wint de lotto nu voor de tweede keer. Hij is gelukkig.

Thursday, September 4, 2014

knap - leuk - aardig: handsome - nice - friendly

knap (handsome, good-looking, clever)

Wat een knap meisje. Zij was Miss Holland.
Einstein was heel intelligent, hij was een knappe kop.

leuk (nice, entertaining, amusing, jolly, fun, prettily)

Wat een leuke jongen. Hij is charmant.
We gaan naar de muzikaal, O, wat leuk.

aardig (nice, pretty, good-natured, friendly. likable, pleasant)

Wat een aardig jongen. Hij is heel vriendelijk.
Het is een aardig film, maar het is niet echt goed en niet echt slecht.


Wednesday, September 3, 2014

Today's verb: Worden (to become)

worden = to become

Present

ik word
jij wordt
wij worden

Past

ik werd
jij werd
wij werden

Present Perfect

ik ben geworden
jij bent geworden
hij is geworden
wij zijn geworden