blijken = to prove
Present
het blijkt
Past
het bleek
Present Perfect
het heeft gebleken
Past Perfect
het had gebleken
lijken = appear, seem, look, resemble
Present
ik lijk
jij lijkt
hij lijkt
wij lijken
Past
ik leek
jij leek
hij leek
wij leken
Present Perfect
ik heb geleken
jij hebt geleken
hij heeft geleken
wij hebben geleken
Past Perfect
ik had geleken
jij had geleken
hij had geleken
wij hadden geleken
lijken op = resemble
Die jongen lijkt op zijn vader. (The boy resemble his father)
net doen alsof = pretend
Die clown doet net alsof hij bedroefd is. (The clown pretend like he is sad)
Study Dutch
I moved to Netherlands recently, and am currently studying Dutch. So I will be sharing what I learn here. I'm not a teacher but a student, so if you find any mistake/ misunderstanding in my post, please let me know! Hope you enjoy:)
Wednesday, December 24, 2014
Tuesday, December 23, 2014
Today's adjective: zeker (sure, certain, positive)
Zeker = sure, certain, positive, secure, safe
Today's adjective: langzaam (slow, tardy, deliberate)
When I watch TV, I pay attention to Dutch subtitles, and this word "langzaam" come up quite often.
Langzaam
adverb: slowly, leisurely
adjective: slow, tardy, lingering, not fast
Langzaam
adverb: slowly, leisurely
adjective: slow, tardy, lingering, not fast
Tuesday, September 16, 2014
zien: to see
zien = to see
Present
ik zie
jij ziet
wij zien
Past
ik zag
jij zag
wij zagen
Present Perfect
ik heb gezien
wij hebben gezien
Present
ik zie
jij ziet
wij zien
Past
ik zag
jij zag
wij zagen
Present Perfect
ik heb gezien
wij hebben gezien
kunnen: to be able to
kunnen = to be able to
Present
ik kan
jij kunt
hij kan
wij kunnen
Past
ik kon
wij konden
Present Perfect
ik heb gekund
wij hebben gekund
Present
ik kan
jij kunt
hij kan
wij kunnen
Past
ik kon
wij konden
Present Perfect
ik heb gekund
wij hebben gekund
Monday, September 15, 2014
vertrekken: to depart
vertrekken = to depart
Present
ik vertrek
jij vertrekt
wij vertrekken
Past
ik vertrok
wij vertrokken
Present Perfect
ik heb vertrokken
wij hebben vertrokken
Present
ik vertrek
jij vertrekt
wij vertrekken
Past
ik vertrok
wij vertrokken
Present Perfect
ik heb vertrokken
wij hebben vertrokken
Wednesday, September 10, 2014
rennen (run)
rennen = run
Present
ik ren
jij rent
wij rennen
Past
ik rende
jij rende
wij renden
Present Perfect
ik heb gerend
wij hebben gerend
Present
ik ren
jij rent
wij rennen
Past
ik rende
jij rende
wij renden
Present Perfect
ik heb gerend
wij hebben gerend
Subscribe to:
Posts (Atom)