Wednesday, December 24, 2014

Today's verb: blijken (prove), lijken (seem, appear), lijken op (resemble), net doen alsof (pretend)

blijken = to prove

Present

het blijkt

Past

het bleek

Present Perfect

het heeft gebleken

Past Perfect

het had gebleken

lijken = appear, seem, look, resemble

Present

ik lijk
jij lijkt
hij lijkt
wij lijken

Past

ik leek
jij leek
hij leek
wij leken

Present Perfect

ik heb geleken
jij hebt geleken
hij heeft geleken
wij hebben geleken

Past Perfect

ik had geleken
jij had geleken
hij had geleken
wij hadden geleken

lijken op = resemble

Die jongen lijkt op zijn vader. (The boy resemble his father)

net doen alsof = pretend

Die clown doet net alsof hij bedroefd is. (The clown pretend like he is sad)

Tuesday, December 23, 2014

Today's adjective: zeker (sure, certain, positive)

Zeker = sure, certain, positive, secure, safe

Today's adjective: langzaam (slow, tardy, deliberate)

When I watch TV, I pay attention to Dutch subtitles, and this word "langzaam" come up quite often.

Langzaam

adverb: slowly, leisurely

adjective: slow, tardy, lingering, not fast

Tuesday, September 16, 2014

zien: to see

zien = to see

Present

ik zie
jij ziet
wij zien

Past

ik zag
jij zag
wij zagen

Present Perfect

ik heb gezien
wij hebben gezien

kunnen: to be able to

kunnen = to be able to 

Present

ik kan
jij kunt
hij kan
wij kunnen

Past

ik kon
wij konden

Present Perfect

ik heb gekund
wij hebben gekund

Monday, September 15, 2014

vertrekken: to depart

vertrekken = to depart

Present

ik vertrek
jij vertrekt
wij vertrekken

Past

ik vertrok
wij vertrokken

Present Perfect

ik heb vertrokken
wij hebben vertrokken

Wednesday, September 10, 2014

rennen (run)

rennen = run

Present

ik ren
jij rent
wij rennen

Past

ik rende
jij rende
wij renden

Present Perfect

ik heb gerend
wij hebben gerend