blijken = to prove
Present
het blijkt
Past
het bleek
Present Perfect
het heeft gebleken
Past Perfect
het had gebleken
lijken = appear, seem, look, resemble
Present
ik lijk
jij lijkt
hij lijkt
wij lijken
Past
ik leek
jij leek
hij leek
wij leken
Present Perfect
ik heb geleken
jij hebt geleken
hij heeft geleken
wij hebben geleken
Past Perfect
ik had geleken
jij had geleken
hij had geleken
wij hadden geleken
lijken op = resemble
Die jongen lijkt op zijn vader. (The boy resemble his father)
net doen alsof = pretend
Die clown doet net alsof hij bedroefd is. (The clown pretend like he is sad)
No comments:
Post a Comment